GeslotenRijk · Landelijk · Subsidie

Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

Ook bekend als HER+, Hernieuwbare Energietransitie

Wat is de Hernieuwbare Energietransitie (HER+)?

HER+ is een subsidie voor innovatieve energieprojecten die de CO2-uitstoot verlagen of de kosten van CO2-vermindering goedkoper maken, met als doel dat dit uiterlijk in 2030 effect heeft. Denk aan projecten met zonne-energie, windenergie, waterkracht, CO2-afvang en -opslag, waterstof of restwarmte. Het gaat om industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, energiedemonstratieprojecten, of een combinatie daarvan.

De regeling is bedoeld voor samenwerkingsverbanden waarin minimaal één ondernemer zit. Provincies en gemeenten mogen meedoen maar krijgen zelf geen subsidie. Je project moet niet alleen CO2-reductie opleveren, maar ook besparen op de toekomstige uitgaven aan de subsidie SDE++ (of, bij windenergie op zee, tot kostenvoordelen leiden). Die besparing of dat voordeel moet groter zijn dan de subsidie die je aanvraagt.

Deze aanvraagronde liep van 3 april 2023 tot en met 31 augustus 2023 en is nu gesloten voor nieuwe aanvragen. Het beschikbare budget was € 30.000.000, met een maximum van € 6 miljoen subsidie per project. De subsidiepercentages verschillen per type project en type organisatie: van 25% voor experimentele ontwikkeling door ondernemingen tot 80% voor onderzoeksorganisaties.

Aanvragen ging via het webportaal UPNL van RVO, met eHerkenning (minimaal betrouwbaarheidsniveau 3). Bij de aanvraag moest je een modelprojectplan en verplichte rekenmodellen meesturen om je verwachte kostenbesparing te onderbouwen. RVO beoordeelde op volgorde van binnenkomst, met een beoordelingstermijn van 8 weken (eenmalig te verlengen met 8 weken).

Wie komt in aanmerking voor de Hernieuwbare Energietransitie (HER+)?

De HER+ was open van 3 april 2023 tot en met 31 augustus 2023 (17.00 uur). Deze ronde is gesloten: nieuwe aanvragen kunnen niet meer worden ingediend. Onderstaande eisen golden voor deze aanvraagperiode.

Je bent gevestigd in Nederland
Landelijke regeling.
Je bent een onderneming of kennisinstelling
Je bent een mkb-onderneming
De definitieve beoordeling ligt bij Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Wie kon aanvragen:

  • Alleen een samenwerkingsverband kon een aanvraag indienen. Daarin moet minimaal één ondernemer zitten. Samenwerken betekent dat elke deelnemer voor eigen rekening en risico meedoet.
  • Provincies, gemeenten en openbare lichamen (WGR) mogen wel meedoen in een project, maar krijgen zelf geen subsidie. Waterschappen kunnen wel subsidie ontvangen.
  • Buitenlandse deelnemers komen alleen in aanmerking als hun activiteiten ten goede komen aan de Nederlandse economie of andere Nederlandse belangen. Ondernemingen moeten daarnaast een vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland hebben (een postbus is niet genoeg).
  • Je kunt het project niet volledig uitbesteden: inhuur van derden telt niet als samenwerking voor eigen rekening en risico.

Harde eisen aan het project:

  • Het project moet leiden tot CO2-reductie, uiterlijk in 2030.
  • Het gaat om industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling en/of een energiedemonstratieproject. Fundamenteel onderzoek komt niet in aanmerking.
  • Het project mag niet gestart zijn vóór indiening van de aanvraag. Je mag zelfs geen verplichtingen (ook onbetaalde) zijn aangegaan voor het moment van indiening.
  • Het project moet uiterlijk 6 maanden na de beschikking starten en heeft een looptijd van maximaal 4 jaar.
  • Neemt een onderzoeksorganisatie deel? Dan moet er vóór de startdatum een ondertekende samenwerkingsovereenkomst bij RVO liggen. Ontbreekt die, dan wordt de aanvraag afgewezen.

Wie valt af (afwijzingsgronden):

  • De aanvraag komt na 17.00 uur op de sluitingsdag binnen, of is na sluiting nog niet compleet.
  • Activiteiten zijn al gestart vóór indiening.
  • Onvoldoende aannemelijk dat het project op tijd klaar is, technisch of economisch haalbaar is, of dat de betrokkenen het kunnen financieren of uitvoeren.
  • Het project draagt onvoldoende bij aan de doelstelling van de HER+ of past niet bij de omschreven projectcategorieën.
  • Onvoldoende vernieuwing ten opzichte van de internationale stand der techniek (bij IO/EO) of de Nederlandse stand der techniek (bij demoprojecten).
  • Aannemelijk dat het project ook zonder subsidie tot stand zou komen.
  • Specifiek voor HER+: je maakt niet met een berekening aannemelijk dat het project leidt tot CO2-reductie in 2030 én tot besparing op SDE++-uitgaven (of, bij wind op zee, tot kostenvoordelen groter dan de subsidie).
  • Onvoldoende kwaliteit, onvoldoende kennisverspreiding, een onevenwichtige samenwerking, of al eerder subsidie ontvangen voor een soortgelijk project.

Daarnaast zijn bepaalde projecttypen expliciet uitgesloten, zoals projecten voor CO2-afvang en -opslag (inclusief blauwe waterstof), biobrandstofprojecten die onder de bijmengverplichting vallen, en projecten waarbij het milieuvoordeel niet bij de aanvrager zelf maar elders in de keten ontstaat.

Waarvoor krijg je subsidie?

Subsidiabel zijn alleen de kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het project en die passen binnen industrieel onderzoek (IO), experimentele ontwikkeling (EO) of een energiedemonstratieproject. Kosten moeten door de aanvrager en de deelnemers zelf gemaakt en betaald worden, en dat moet gebeuren na indiening van de aanvraag.

Loonkosten

Je kiest één van drie systematieken voor de hele aanvraag:

  • Loonkosten-plus-vaste-opslag: directe loonkosten (loonkosten gedeeld door productieve uren per jaar) plus een vaste opslag van 50% voor overheadkosten zoals huisvesting en binnenlandse reizen.
  • Vast uurtarief: € 60 per gewerkt uur, inclusief overheadkosten. Hierbij is geen verantwoording van werkelijke loonkosten nodig.
  • Integrale kostensystematiek (IKS): loonkosten berekend via het IKS-tarief van de functiegroep. Wil je dit voor het eerst gebruiken, dan stuur je vooraf een Eigen verklaring naar RVO ter toetsing.

Kosten van machines en apparatuur

  • Apparatuur die uitsluitend voor het project is aangeschaft: afschrijvingskosten met een minimale afschrijvingstermijn van 5 jaar, waarbij je alleen de afschrijving over de looptijd van het project opvoert.
  • Apparatuur die niet uitsluitend voor het project wordt gebruikt: afschrijfkosten of leasetermijnen mag je alleen meenemen als je een sluitende tijdregistratie bijhoudt, naar evenredigheid van het gebruik voor het project ten opzichte van de normale bezetting. Gebruik je IKS, dan mag dit alleen als deze kosten geen deel uitmaken van het integrale kostentarief.

Materialen en hulpmiddelen

  • Verbruikte materialen: stoffen voor eenmalig gebruik in het project die na bewerking geen zelfstandige zaak meer zijn.
  • Hulpmiddelen: zelfstandige zaken die speciaal voor het project zijn aangeschaft, niet langer dan het project worden gebruikt en daarna niet meer bruikbaar zijn.

Kosten van derden

Facturen voor kosten die direct gerelateerd zijn aan de uitvoering van het project, inclusief uitbestede activiteiten, komen in aanmerking. Volledige uitbesteding van het project mag niet: inhuur van derden telt niet als samenwerking voor eigen rekening en risico.

Subsidiepercentages per projectvorm

  • EO: 25% (ondernemingen) of 80% (onderzoeksorganisaties, niet-economische activiteiten).
  • IO: 50% (ondernemingen) of 80% (onderzoeksorganisaties, niet-economische activiteiten).
  • Demo: 45% (als de investering afzonderlijk vast te stellen is en verrekend wordt met referentiekosten), 30% voor kleine installaties zonder vergelijkbaar traditioneel systeem, of 30% voor de bijkomende kosten om een hoger energie-efficiëntieniveau te halen. Opslagen: +10 procentpunt voor middelgrote ondernemingen, +20 procentpunt voor kleine ondernemingen, en +10 procentpunt als een onderzoeksorganisatie bij EO/IO minimaal 10% van de subsidiabele kosten draagt en publicatierecht heeft.

Wat niet subsidiabel is

  • Kosten van de accountant voor het opstellen van de controleverklaring.
  • Kosten voor (administratief) projectmanagement: voortgangsbewaking, contracten opstellen, voortgangsrapportages, planning, budgettering, projectbesturing.
  • Binnenlandse reiskosten.
  • Kosten voor kennisverspreidingsactiviteiten. Let op: kennisverspreiding is wel verplicht en onvoldoende kennisverspreiding is een afwijzingsgrond of scoort lager, maar de kosten ervoor mag je niet opvoeren.
  • Btw, als je btw-plichtig bent (die verreken je via je btw-aangifte). Ben je dat niet, dan mag je btw over bepaalde kostenposten wel meenemen.
  • Kosten voor projectmanagement en kennisverspreiding beschrijf je overigens wel verplicht in je projectplan, ook al zijn ze niet subsidiabel.

Hoe je kosten indeelt

Bij veel projecten zijn de kosten (vooral loonkosten) lineair over de looptijd verdeeld: dan werk je met een jaarplan en rapporteer je per jaar. Zijn kosten voor machines, materialen of derden niet gelijk verdeeld over de looptijd, dan gebruik je een mijlpalenplan. Mijlpaalperiodes mogen elkaar niet overlappen; een activiteit mag niet over meerdere mijlpalen verdeeld worden, maar één mijlpaal mag wel meerdere activiteiten bevatten. In de begroting geef je per kostenpost aan bij welke mijlpaal deze hoort.

Hoeveel subsidie krijg je?

Voor deze ronde gold een subsidieplafond van € 30.000.000 en een maximale subsidie van € 6 miljoen per project.

De hoogte van je subsidie hangt af van het type project:

  • Experimentele ontwikkeling (EO): 25% van de subsidiabele kosten voor ondernemingen; 80% voor onderzoeksorganisaties (bij niet-economische activiteiten).
  • Industrieel onderzoek (IO): 50% van de subsidiabele kosten voor ondernemingen; 80% voor onderzoeksorganisaties (bij niet-economische activiteiten).
  • Energiedemonstratieproject (Demo): 45% van de subsidiabele kosten als de investering apart valt vast te stellen en verrekend wordt met referentiekosten (AGVV artikel 41 lid 6), 30% voor kleine installaties waarvoor geen vergelijkbaar traditioneel systeem bestaat, of 30% conform AGVV artikel 38 lid 3 (bijkomende kosten voor een hoger energie-efficiëntieniveau).

Voor alle projecttypen komen daar opslagen bovenop:

  • + 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen.
  • + 20 procentpunten voor kleine ondernemingen.
  • + 10 procentpunten bij experimentele ontwikkeling en/of industrieel onderzoek in samenwerking met een onderzoeksorganisatie, als die organisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en het recht heeft de resultaten van het door haar uitgevoerde onderzoek te publiceren.

Voor de beoordeling of een SDE++-techniek voor subsidie in aanmerking komt, geldt een harde grens van € 300 per ton CO2 (de subsidie-intensiteit). Het nieuwe, door de innovatie te realiseren basisbedrag moet lager zijn dan het geldende PBL-basisbedrag én de subsidie-intensiteit moet onder die € 300/ton CO2 blijven. Is dat niet het geval, dan is er geen sprake van besparing en komt het project niet in aanmerking.

Heeft je project al subsidie gehad van een ander bestuursorgaan of van de Europese Commissie? Dan wordt dat bedrag verrekend met de subsidie die je van HER+ kunt krijgen, of met de subsidiabele kosten. Neem hierover contact op met RVO.

Uitbetaling gaat in termijnen: 90% van het toegekende bedrag ontvang je als voorschot, lineair verdeeld over de looptijd (of volgens je mijlpalenplan). De laatste 10% volgt bij de definitieve vaststelling na afronding van het project.

Rondes en deadlines

RondeOpentSluitBudgetVerdeling
20233 apr 202331 aug 2023€ 30 mln-

Wat zijn de voorwaarden van de Hernieuwbare Energietransitie (HER+)?

Hier val je op af

De aanvraag moet uiterlijk 31 augustus 2023 om 17.00 uur binnen zijn; te laat binnengekomen aanvragen worden niet behandeld.
Na de sluitingsdatum kun je een incomplete aanvraag niet meer aanvullen; hij wordt dan afgewezen.
Het project mag niet gestart zijn (en er mogen geen verplichtingen zijn aangegaan) vóór indiening van de aanvraag.
Alleen een samenwerkingsverband met minstens één ondernemer kan aanvragen; volledige uitbesteding is niet toegestaan.
Neemt een onderzoeksorganisatie deel? Dan moet de ondertekende samenwerkingsovereenkomst uiterlijk bij de startdatum van het project (als die vóór de beschikking ligt) binnen zijn, anders volgt afwijzing.
Het project moet binnen 6 maanden na de beschikking starten en mag maximaal 4 jaar duren.
Het project moet vallen binnen een van de vijf omschreven projectcategorieën (SDE++-technieken, windenergie op zee, opwekking+opslag, opwekking+smart grids, of specifieke overige CO2-reductieopties) en mag niet onder de uitgesloten categorieën vallen (zoals CO2-afvang en -opslag, of biobrandstoffen onder de bijmengverplichting).

Waarop wordt beoordeeld

  1. RVO beoordeelt aanvragen op volgorde van binnenkomst (datum waarop de aanvraag compleet is), niet op een vergelijkende ranking. Zolang budget beschikbaar is en de aanvraag aan de voorwaarden voldoet en geen afwijzingsgrond van toepassing is, krijg je subsidie. De volgende punten worden inhoudelijk getoetst en kunnen tot afwijzing leiden:
  2. Aannemelijkheid CO2-reductie en besparing: onderbouwd met de verplichte rekenmodellen en een toelichting in het projectplan op je aannames.
  3. Kwaliteit van het project: beoordeeld op de uitwerking van aanpak en methodiek (probleemdefinitie, vooronderzoek, doelen, aanpak, projectfases met go/no-go momenten), de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid, de geschiktheid en betrokkenheid van de deelnemende partijen (hele waardeketen: producent, leverancier, eindgebruiker), en de mate waarin het beschikbare geld effectief en efficiënt wordt ingezet.
  4. Kennisverspreiding: er moet voldoende kwalitatief goede kennisverspreiding zijn voorzien in het project (de activiteiten zelf zijn overigens niet subsidiabel, maar wel verplicht).
  5. Nieuwheid: geen eerdere subsidie voor een soortgelijk project (met veel overlap in doel, activiteiten en resultaten).
  6. Evenwichtige samenwerking: blijkend uit de verdeling van kosten en activiteiten tussen deelnemers, en de verhouding tussen private en publieke financiering.
  7. Bij windenergie op zee: aantoonbare kostenvoordelen die groter zijn dan de aangevraagde subsidie, berekend volgens het PBL-kostenmodel.

Verder wordt getoetst op de algemene afwijzingsgronden: onvoldoende vertrouwen in financiering of uitvoeringscapaciteit, onvoldoende technische/economische haalbaarheid, onvoldoende vernieuwing ten opzichte van de stand der techniek, onvoldoende slaagkans in de Nederlandse markt, en de kans dat het project ook zonder subsidie tot stand zou komen.

Wat je ná toekenning moet doen

  • Je voert het project uit volgens het ingediende projectplan en de bepalingen in de beschikking.
  • Je houdt een correcte en overzichtelijke projectadministratie bij (uren, loonkosten, facturen van apparatuur, materialen en derden).
  • Duurt je project langer dan 12 maanden? Dan lever je eenmaal per jaar een voortgangsrapportage in via het formulier op het aanvraagportaal, op de rapportagedata die in je beschikking staan.
  • Wijzigingen in de uitvoering van het project moet je vooraf schriftelijk laten goedkeuren door RVO, via het webportaal (mijn.rvo.nl/tse-hernieuwbare-energietransitie, knop 'Beheren'). Doe je dit niet, dan riskeer je dat je geen subsidie krijgt voor de gewijzigde onderdelen, of in het ergste geval voor het hele project. De beoordelingstermijn voor een wijziging is 8 weken, eenmalig te verlengen met 8 weken.
  • Loopt je project vertraging op? Dan moet je dit melden en via een wijzigingsverzoek toestemming vragen, zodat ook de bevoorschotting wordt aangepast. Ontvang je onterecht langere tijd voorschotten, dan kan RVO deze terugvorderen en een boete opleggen.
  • Neemt een onderzoeksorganisatie deel en is de overeenkomst er na de startdatum nog niet? Dan schort RVO de voorschotten op. Is er drie maanden later nog steeds geen getekende overeenkomst, dan zet RVO het project stop en stelt de subsidie vast.
  • Na afloop van het project vraag je binnen 13 weken de vaststelling van je subsidie aan en lever je een (openbaar) eindverslag in.
  • Voor vaststellingsaanvragen tussen € 25.000 en € 125.000 stuur je een bestuursverklaring mee (met het verplichte model) en het vaststellingsformulier, waarin je verklaart over alle kosten en opbrengsten van het project. Voor subsidies vanaf € 125.000 stuur je in plaats daarvan een controleverklaring mee. In beide gevallen stuur je ook een eindrapport mee (verplicht format).
  • Heb je al subsidie van een ander bestuursorgaan of de Europese Commissie gehad voor hetzelfde project? Neem contact op met RVO; dit wordt verrekend met je HER+-subsidie of de subsidiabele kosten.

Welke documenten heb je nodig?

Het loket publiceert 2 documenten bij deze regeling, waarvan er 1 verplicht is bij je aanvraag. Je kunt ze hier rechtstreeks downloaden.

  • Model bestuursverklaring Word document | 46.25 KB
    Word · 1 paginaVerplicht

    Een modeldocument waarin de bevoegd ondertekenaar van de aanvragende onderneming verklaart dat de gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, nodig bij het verzoek tot vaststelling van subsidies tussen de 25.000 en 125.000 euro.

    Download
  • RVO-Handleiding-HER-maart-2023
    PDF · 37 pagina's

    De officiële RVO-handleiding bij de HER+ regeling met uitgebreide toelichting op doelstelling, voorwaarden, subsidiepercentages, kosten en de aanvraagprocedure, die je nodig hebt om je aanvraag goed te onderbouwen.

    Download

Vraag het dossier

Stel een vraag over Hernieuwbare Energietransitie (HER+). Het antwoord komt uitsluitend uit de documenten van het loket zelf, met de vindplaats erbij. Staat het er niet in, dan zegt de chat dat.

Waar komt deze informatie vandaan?

Deze pagina is samengesteld uit de officiële publicaties van Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Controleer de definitieve voorwaarden altijd bij het loket zelf.