GeslotenRijk · Landelijk · Subsidie

DEI+: Energie- en klimaatinnovaties

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Wat is de DEI+: Energie- en klimaatinnovaties?

Heb je als bedrijf een innovatieve techniek ontwikkeld waarmee je energie bespaart of CO2-uitstoot vermindert in Nederland, en wil je die testen (pilot) of in de praktijk laten zien (demonstratie)? Dan kun je met de DEI+ subsidie krijgen voor de projectkosten.

De regeling is bedoeld voor bedrijven in Nederland, Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Je project moet passen binnen een van de vastgestelde thema's, zoals energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, flexibilisering van het energiesysteem, infrastructuur, circulaire economie, CO2-afvang en -opslag (CCUS), verduurzaming van de gebouwde omgeving, waterstof en groene chemie, of vergassing van reststromen.

Je krijgt subsidie voor pilotprojecten (waarin je een techniek test in een praktijkgerichte omgeving) of demonstratieprojecten (waarin je een techniek daadwerkelijk toepast en die na het project in gebruik blijft). De hoogte van je subsidie hangt af van het type project en het thema, met een maximum van € 30 miljoen voor demonstratieprojecten en € 25 miljoen voor pilotprojecten binnen deze openstelling.

Deze openstelling loopt van 27 januari 2026 tot 30 juli 2026, 17.00 uur, met een totaal budget van € 134.000.000. Het loket meldt op dit moment "tijdelijk gesloten voor aanvragen".

Je vraagt de subsidie aan via het eLoket van RVO met eHerkenning. Voordat je een aanvraag indient, is het slim om eerst een projectideeformulier in te vullen: dan krijg je gratis advies of je project past bij de DEI+ of beter bij een andere regeling. Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst beoordeeld, dus wachten tot het laatste moment werkt in je nadeel als het budget eerder op is.

Wie komt in aanmerking voor de DEI+: Energie- en klimaatinnovaties?

Je komt in aanmerking als je een bedrijf bent in Nederland, Bonaire, Sint Eustatius of Saba, en je een pilot- of demonstratieproject uitvoert met een innovatieve techniek die de CO2-uitstoot in Nederland vermindert. Provincies en gemeentes mogen meedoen in een project maar krijgen zelf geen subsidie. Waterschappen kunnen onder bepaalde voorwaarden wel subsidie krijgen.

Je bent gevestigd in Nederland
Landelijke regeling.
De definitieve beoordeling ligt bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Knock-out eisen, hier val je op af:

  • Je project past niet binnen één van de DEI+ thema's (energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, flexibilisering, infrastructuur, circulaire economie, CCUS, gebouwde omgeving, overige CO2-maatregelen, waterstof en groene chemie, of vergassing van reststromen).
  • Je project is geen pilot- of demonstratieproject in de zin van de regeling. Een project valt in precies één van deze categorieën, niet in meerdere.
  • Je project duurt langer dan 4 jaar, of het is niet aannemelijk dat je binnen die termijn klaar bent (let op vergunningen en levertijden van machines).
  • Je bent al gestart met het project, hebt al verplichtingen aangegaan of al kosten gemaakt vóórdat je de aanvraag indiende (ook als je nog niet betaald hebt).
  • Jouw onderneming is een "onderneming in moeilijkheden" volgens de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.
  • Er is onvoldoende zekerheid dat je eigen aandeel in de projectkosten gefinancierd kan worden. Je moet dit bij de aanvraag al kunnen onderbouwen.
  • Voor pilotprojecten met de vaste-uurtarief-systematiek: als je je eigen bijdrage financiert uit de subsidie voor projecturen zelf, wijst RVO de aanvraag af.
  • Er is onvoldoende vertrouwen in de technische of economische haalbaarheid, of in de capaciteiten van de betrokkenen om het project uit te voeren.
  • De bijdrage aan CO2-reductie in Nederland binnen 10 jaar na start is onvoldoende, of er is onvoldoende vernieuwing ten opzichte van de bestaande stand van de techniek (internationaal voor pilots, Nederlands voor demonstratieprojecten).
  • De samenwerking tussen ondernemer en onderzoeksorganisatie is onevenwichtig, bijvoorbeeld als de onderzoeksorganisatie het merendeel van de kosten maakt.
  • Het is aannemelijk dat je het project ook zonder subsidie, zonder belangrijke vertraging, had kunnen uitvoeren (geen stimulerend effect).
  • Bij CO2-hergebruik projecten: als aannemelijk is dat het project ook zonder subsidie tot stand zou komen.
  • Bij randvoorwaardelijke innovaties binnen "Verduurzaming gebouwde omgeving": als je onderneming actief is in visserij/aquacultuur, primaire landbouwproductie, of bepaalde verwerking/afzet van landbouwproducten.
  • Bij "Vergassing van reststromen": als het nominaal thermisch vermogen onder 5 MW ligt, als niet aannemelijk is dat alle grondstoffen kwalificeren als afval (of niet hoogwaardiger te verwerken materiaal), als de biogene grondstoffen niet aan de duurzaamheidscriteria voldoen, of als minder dan 40% van de energetische waarde van de grondstoffen biogeen is. Voor dit thema moet je bovendien de benodigde vergunningen (bouw en ingebruikname) al hebben bij het indienen, anders is de aanvraag niet compleet.

Let op: sommige subthema's vallen buiten deze Tier 1 openstelling (27-01-2026 t/m 30-07-2026) en hebben een eigen sluitingsdatum, zoals Verduurzaming gebouwde omgeving (27-08-2026) en Circulaire economie algemeen (17-12-2026). Check bij twijfel het juiste thema en de juiste deadline.

Waarvoor krijg je subsidie?

De kosten die in aanmerking komen, verschillen sterk tussen pilotprojecten en demonstratieprojecten. Kies bij pilotprojecten één van drie systematieken; die keuze bepaalt welke kostensoorten je opvoert.

Pilotprojecten: loonkosten-plus-vaste-opslag-systematiek

  • Directe loonkosten van projectmedewerkers: het uurtarief bereken je door de directe loonkosten te delen door het gangbare aantal productieve uren per jaar in je organisatie.
  • Opslag van 50% over de directe loonkosten, als vergoeding voor indirecte kosten zoals overhead, huisvesting, kantoorapparatuur en binnenlandse reizen.
  • Kosten van apparatuur: alleen de afschrijfkosten gedurende het project, met dezelfde afschrijfperiode (minimaal 5 jaar) als in je eigen boekhouding. Boek je de apparatuurkosten direct in de winst- en verliesrekening en heeft de apparatuur na het project geen restwaarde, dan zijn alle kosten subsidiabel (onderbouwen in projectplan en begroting).
  • Kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen.
  • Kosten van derden (uitbesteding), bijvoorbeeld engineeringskosten of externe laboratoriumanalyses.

Je moet het aantal gewerkte projecturen met bijbehorende loonkosten bijhouden, plus facturen van apparatuur, materialen en derden, direct verbonden aan het project.

Pilotprojecten: vaste-uurtarief-systematiek

  • Vast uurtarief van € 80 per gewerkt uur, als vergoeding voor loonkosten/arbeid én indirecte kosten (huisvesting, kantoorapparatuur, binnenlandse reizen).
  • Kosten van apparatuur: zelfde regels als bij de vorige systematiek (afschrijving, minimaal 5 jaar, of volledige kosten bij directe boeking zonder restwaarde).
  • Kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen.
  • Kosten van derden (uitbesteding).

Je moet gewerkte uren en facturen van apparatuur, materialen en derden bijhouden. Een verantwoording van de werkelijke loonkosten is hierbij niet nodig. Let op: bij deze systematiek mag je je eigen bijdrage in de projectkosten niet financieren uit de subsidie voor projecturen.

Pilotprojecten: integrale kostensystematiek (IKS)

  • Loonkosten van projectmedewerkers, berekend met het IKS-tarief van de functiegroep.
  • Aan derden betaalde kosten, voor zover die geen deel uitmaken van het IKS-tarief (met facturen, direct verbonden aan het project).

Voorwaarde is dat je de IKS stelselmatig gebruikt in je organisatie. Wil je IKS voor het eerst gebruiken, stuur dan een Eigen verklaring naar iks@rvo.nl voor een eenmalige toets.

Demonstratieprojecten zonder infrastructuur (art. 36, 38, 38 bis, 41, 47 AGVV)

Hier krijg je in principe subsidie over de (extra) investeringskosten. Bij artikel 36, 38 en 47 moet je altijd een referentie-investering (nulscenario) opvoeren: de kosten van een realistisch, minder milieuvriendelijk alternatief. Zonder nulscenario wordt dat over het algemeen niet geaccepteerd. Bij artikel 38 bis en 41 is geen referentie-investering nodig; hier zijn de totale investeringskosten subsidiabel.

Demonstratieprojecten met infrastructuur (art. 46 en 56 AGVV)

Hier zijn de investeringskosten subsidiabel. Bij lokale infrastructuur (art. 56) is het steunbedrag niet hoger dan de subsidiabele kosten minus de exploitatiewinst; die winst trek je van de kosten af.

Test- en experimenteerinfrastructuurprojecten

Subsidiabel zijn de investeringskosten in materiële en immateriële activa. Exploitatiekosten zijn niet subsidiabel.

Btw

Ben je btw-plichtig, dan neem je de btw niet op in de begroting; je verrekent die via je btw-aangifte. Ben je niet btw-plichtig, dan mag de btw over bepaalde kostenposten wel in de begroting.

Wat is nooit subsidiabel

  • Onvoorziene kosten ('contingency') als aparte kostenpost; alle kosten moet je toewijzen aan een specifieke activiteit of installatie.
  • Kosten voor een controleverklaring.
  • Binnenlandse reiskosten (los vergoed).
  • Financieringskosten.
  • Administratief projectmanagement.
  • Kennisverspreiding.

Kosten binnen groepen van ondernemingen

Voer (loon)kosten op bij de entiteit die de kosten maakt en betaalt. Bij zuster- of dochterondernemingen: als er onderlinge facturatie is, voer je die kosten op onder 'kosten derden'. Zonder onderlinge facturatie moet elke entiteit apart als deelnemer worden opgevoerd, met de kosten die die entiteit zelf maakt.

Hoeveel subsidie krijg je?

De hoogte van je subsidie hangt af van het soort project, het AGVV-artikel waaronder het valt, en (bij sommige categorieën) de bedrijfsgrootte.

Maximale subsidie per project binnen deze openstelling (27-01-2026 t/m 30-07-2026, budget € 134.000.000):

  • Demonstratieproject: maximaal € 30 miljoen.
  • Pilotproject: maximaal € 25 miljoen.
  • Test- en experimenteerinfrastructuurproject: maximaal € 25 miljoen.

Subsidiepercentages (van de subsidiabele kosten):

  • Pilotproject / experimentele ontwikkeling: 25% voor ondernemingen, 80% voor onderzoeksorganisaties (niet-economische activiteiten).
  • Test- en experimenteerinfrastructuur: 25% (geen verhoging voor onderzoeksorganisaties, want economische activiteit).
  • Demonstratie, milieuproject/overige CO2-maatregelen (art. 36): 40% van de extra investeringskosten ten opzichte van het referentiescenario, of 30% bij CCS/CCU. Kies je ervoor geen nulscenario vast te stellen, dan halveert het percentage naar 20% resp. 15%.
  • Energie-efficiëntie anders dan gebouwen (art. 38): 30% van de extra investeringskosten, of 15% zonder nulscenario.
  • Energie-efficiëntie voor gebouwen (art. 38 bis): 25% van de totale investeringskosten.
  • Hernieuwbare energie en hernieuwbare waterstof (art. 41): 45% van de totale investeringskosten voor productie-investeringen, 30% voor andere investeringen zoals opslag of specifieke infrastructuur.
  • Circulaire economie (art. 47): 40% van de extra investeringskosten ten opzichte van een minder milieuvriendelijk alternatief.
  • Infrastructuurproject (art. 46): 30% van de investeringskosten.
  • Infrastructuurproject (art. 56): 50% van de investeringskosten, waarbij de subsidie niet hoger is dan investeringskosten minus exploitatiewinst.
  • Randvoorwaardelijke innovaties gebouwde omgeving (de-minimis): 25%, met een maximum van € 300.000 per onderneming over de afgelopen 36 maanden.

Opslagen voor kleinere bedrijven:

  • Alle projecttypen: +10 procentpunt voor middelgrote ondernemingen, +20 procentpunt voor kleine ondernemingen.
  • Demonstratieprojecten onder art. 36 en 38 (zonder nulscenario): +5 procentpunt voor middelgrote, +10 procentpunt voor kleine ondernemingen.

Voor "Vergassing van reststromen" gelden aparte percentages per categorie (combinatie van biogene of gemengde reststromen en productie voor energie of grondstof), variërend van 40% tot 45%, met dezelfde opslag voor kleine en middelgrote ondernemingen.

Minder subsidie aanvragen dan het maximum mag, en kan positief meewegen bij het beoordelingscriterium "kwaliteit van het project".

Rondes en deadlines

RondeOpentSluitBudgetVerdeling
Openstelling27 jan 202630 jul 2026--

Wat zijn de voorwaarden van de DEI+: Energie- en klimaatinnovaties?

Hier val je op af

Naast de eisen genoemd onder "Kom ik in aanmerking", gelden deze harde voorwaarden:
Je project past binnen de beschrijving van één van de DEI+ thema's.
Je voert een pilot- of demonstratieproject uit (nooit een mix in één aanvraag).
Je project zorgt voor minder CO2-uitstoot in Nederland binnen 10 jaar na de start.
De looptijd is maximaal 4 jaar.
Je start met de uitvoering binnen 6 maanden na de subsidiebeschikking.
Je start niet vóór het indienen van de aanvraag: geen verplichtingen aangegaan, geen kosten gemaakt (ook niet als je nog niet betaald hebt). "Starten" is het begin van bouwwerkzaamheden, de eerste juridisch bindende bestelling, of een andere onomkeerbare toezegging. Grondaankoop, vergunningen aanvragen en haalbaarheidsstudies vooraf tellen niet als starten.
Je voert het project voor eigen rekening en risico uit.
Minimaal één onderneming maakt kosten in het project.
Je project is technisch en economisch haalbaar; je onderbouwt de werking van de techniek en de slaagkans op de Nederlandse markt met marktkennis, bronnen en argumenten.
Je onderneming is geen "onderneming in moeilijkheden" volgens de AGVV.
Op het moment van indienen moet voldoende zeker zijn dat de financiering van je eigen aandeel in de projectkosten rondkomt.

Waarop wordt beoordeeld

  1. RVO beoordeelt aanvragen op volgorde van binnenkomst (datum waarop de aanvraag compleet is), niet op kwaliteit gerangschikt. Na een complete aanvraag geldt een beoordelingstermijn van 8 weken (te verlengen). Zolang budget beschikbaar is en er geen afwijzingsgrond van toepassing is, krijg je subsidie. De afwijzingsgronden functioneren dus in de praktijk als beoordelingscriteria:
  2. Aansluiting bij de projectdefinitie (pilot/demonstratie) en het gekozen thema.
  3. Haalbaarheid van de looptijd (4 jaar), inclusief vergunningen en levertijden.
  4. Financiële gezondheid: geen onderneming in moeilijkheden, voldoende vertrouwen in financiering van het eigen aandeel (concrete verklaringen van externe financiers, niet vrijblijvend).
  5. Capaciteiten van de betrokkenen om het project uit te voeren.
  6. Technische en economische haalbaarheid.
  7. Bijdrage aan de doelstelling: directe of indirecte CO2-reductie in Nederland binnen 10 jaar.
  8. Kwaliteit van het project: aanpak en methodiek, omgang met risico's, uitvoerbaarheid, deelnemende partijen, effectieve en efficiënte inzet van middelen.
  9. Slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij.
  10. Mate van vernieuwing ten opzichte van de bestaande stand van de techniek (internationaal voor pilots, Nederlands voor demonstratieprojecten).
  11. Evenwichtigheid van samenwerking tussen ondernemer en onderzoeksorganisatie (onderzoeksorganisatie mag niet het merendeel van de kosten maken).
  12. Stimulerend effect: zonder subsidie zou het project niet of met belangrijke vertraging tot stand komen.
  13. Kwaliteit van het plan voor kennisverspreiding.
  14. Specifiek bij CO2-hergebruik: aannemelijkheid dat het project niet ook zonder subsidie tot stand zou komen (onderbouwd met kosten-batenoverzicht).

Wat je moet doen na toekenning

  • Binnen 6 maanden na de beschikking starten met de projectactiviteiten.
  • Als er een onderzoeksorganisatie deelneemt: vóór de start een getekende samenwerkingsovereenkomst hebben, met afspraken over kostenbijdrage, risico- en resultaatdeling, verspreiding van resultaten en intellectuele eigendomsrechten. RVO vraagt deze overeenkomst op; ontbreekt die, dan wijst RVO de aanvraag af of schort voorschotten op (en kan bij langdurig ontbreken het project stopzetten en al verstrekte voorschotten terugvorderen).
  • Bij het thema Verduurzaming gebouwde omgeving met randvoorwaardelijke innovaties: een de-minimisverklaring aanleveren, met een maximum van € 300.000 steun per onderneming over de afgelopen 36 maanden.
  • Bij Vergassing van reststromen gelden extra informatie- en instandhoudingsverplichtingen bij vaststelling en tot 5 jaar daarna (zie Bijlage 9 van de Handleiding).
  • Bij productie van waterstof gelden aanvullende verplichtingen bij aanvraag en tot 5 jaar na vaststelling (zie Bijlage 7 en 8).
  • Voortgang en wijzigingen in het project moet je doorgeven via het RVO-loket; ook vraag je daar de vaststelling van de subsidie aan na afronding.
  • Bij het thema Verduurzaming gebouwde omgeving wordt aanbevolen (niet verplicht) geanonimiseerde meetdata te delen op het RVO data-deel-platform KITE.

Bij vergassing van reststromen gelden extra afwijzingsgronden rond thermisch vermogen (minimaal 5 MW), afvalkwalificatie van grondstoffen, duurzaamheidscriteria voor biogene grondstoffen, en het minimale aandeel biogene energie-inhoud (40%).

Hoe vraag je de DEI+: Energie- en klimaatinnovaties aan?

De aanvraag doorloopt vijf stappen.

Stap 1: Projectidee toetsen (optioneel, aanbevolen)

Twijfel je of je project past? Vul het projectideeformulier in via de RVO-website. Je krijgt dan gratis advies of je project aansluit bij de DEI+ of beter bij een andere subsidie past. Je kunt ook bellen met Klantcontact van RVO (088 042 42 42). Dit heeft geen eigen verplichte deadline binnen deze openstelling, maar doe dit ruim op tijd voor je aanvraag.

Stap 2: Aanvraag indienen

Dien je aanvraag in via het eLoket van RVO, tijdens de openstellingstermijn (27 januari 2026 09:00 tot 30 juli 2026 17:00 voor deze reguliere thema's; let op afwijkende deadlines voor Verduurzaming gebouwde omgeving en Circulaire economie). Je hebt een eHerkenningsmiddel nodig met minimaal betrouwbaarheidsniveau 3; vraag dit tijdig aan, want het aanvragen kost een aantal werkdagen.

Verplichte onderdelen van de aanvraag:

  • Aanvraagformulier: ingevuld en digitaal ondertekend (met eHerkenning) door jou of een intermediair. Bij een intermediair: voeg een machtiging van die intermediair toe.
  • Bijlage 1, Deelnemersformulier (aanmelding en machtiging): bij een samenwerkingsverband stuurt elke deelnemer een ondertekend machtigingsformulier mee, waarmee de penvoerder wordt gemachtigd.
  • Bijlage 2, Projectplan: beschrijving van je project, inclusief onderbouwing van techniek, marktkansen, financiering eigen aandeel en (indien relevant) vergunningenstatus.
  • Bijlage 3, Begroting: ingevuld modelbegrotingsformat.
  • Bijlage 4, Financieringsplan: onderdeel van projectplan en begroting; beschrijft hoe je je eigen aandeel financiert (eigen middelen of extern), onderbouwd met jaarcijfers, garantieverklaringen van verbonden ondernemingen, of getekende (of concept-)overeenkomsten met financiers.
  • Bijlage 5, Exploitatieberekening: verplicht voor demonstratieprojecten en voor pilotprojecten waarbij de installatie na afloop in gebruik blijft.
  • Bijlage 6, Plan voor kennisverspreiding: los of als onderdeel van het projectplan.
  • Bijlage 7, De-minimisverklaring: alleen bij randvoorwaardelijke innovaties binnen het thema Verduurzaming gebouwde omgeving.
  • Bijlage 8, Verklaring "geen onderneming in moeilijkheden": inclusief beslisschema, de meest recente (geconsolideerde) jaarcijfers en organogrammen met aandelenverhouding van alle deelnemers. Deze jaarcijfers mogen niet ouder zijn dan 18 maanden vanaf de balansdatum.
  • Bijlage 9, Overige bijlagen: bijvoorbeeld benodigde vergunningen (verplicht en al vereist bij indiening voor het thema Vergassing van reststromen).

Stap 3: Volledigheidscontrole

RVO controleert of alle stukken zijn aangeleverd. Dien je minimaal 2 weken voor de sluitingsdatum in, dan krijg je bij een incomplete aanvraag een verzoek om aan te vullen (hier kun je geen rechten aan ontlenen; je bent zelf verantwoordelijk voor tijdige, juiste aanlevering). Na de sluitingsdag kun je je aanvraag niet meer aanvullen.

Stap 4: Inhoudelijke en financiële beoordeling

RVO beoordeelt op volgorde van binnenkomst (datum waarop je aanvraag compleet is) of er inhoudelijke of financiële afwijzingsgronden zijn.

Stap 5: Uitsluitsel

Binnen 8 weken na complete aanvraag (te verlengen met 8 weken) hoor je of je aanvraag is toegekend of afgewezen. RVO is verplicht alle positieve beschikkingen uiterlijk medio december te versturen, omdat het budget alleen voor 2026 beschikbaar is; in het najaar gelden daardoor vaak kortere reactietermijnen en beperktere uitstelmogelijkheden.

Wat gebeurt er na je aanvraag?

Beoordeling

RVO beoordeelt je aanvraag. De beoordeling gebeurt op volgorde van binnenkomst, waarbij de datum geldt waarop je aanvraag compleet is. De beoordelingstermijn is 8 weken na complete indiening, met de mogelijkheid tot verlenging van nog eens 8 weken. Voldoet je project aan de voorwaarden en is er geen afwijzingsgrond van toepassing, dan krijg je subsidie zolang er budget beschikbaar is.

Bij afwijzing

Je krijgt een schriftelijke beschikking met de afwijzing. Je kunt telefonisch een toelichting krijgen. Afhankelijk van de reden bekijkt RVO samen met jou of een verbeterde aanvraag zinvol is, of dat er andere ondersteuningsmogelijkheden bij RVO zijn. Let op: kosten die je al gemaakt hebt bij een eerdere indiening komen bij een herindiening niet in aanmerking. Ben je al gestart met het project, dan is een herindiening soms niet meer mogelijk omdat de subsidie dan geen stimulerend effect meer heeft.

Bij toekenning: verplichtingen tijdens de looptijd

  • Je start de uitvoering binnen 6 maanden na de beschikking.
  • Is er een onderzoeksorganisatie betrokken, dan moet de getekende samenwerkingsovereenkomst er zijn vóór de start van het project. Ligt de startdatum vóór de dagtekening van de beschikking, dan wil RVO die overeenkomst al tijdens de beoordeling zien; ontbreekt die, dan wijst RVO de aanvraag af. Ligt de startdatum na de verlening, dan vraagt RVO de overeenkomst op tijdens de uitvoering; is die er dan niet, dan schort RVO de voorschotten op, en bij langer dan 3 maanden ontbreken zet RVO het project stop en vordert het verstrekte voorschotten terug.
  • Je geeft de voortgang van je project door en meldt wijzigingen in het project via het RVO-loket.
  • Je houdt je administratie op orde: bij pilotprojecten de gewerkte projecturen met loonkosten (of het vaste uurtarief), en facturen van apparatuur, materialen en derden, direct gekoppeld aan het project.
  • Voor bepaalde thema's gelden extra informatieverplichtingen tijdens en tot 5 jaar na de looptijd, zoals bij waterstofproductie en vergassing van reststromen.

Uitbetaling

Na afronding van het project vraag je de vaststelling van de subsidie aan via het RVO-loket; pas bij vaststelling wordt definitief bepaald wat je uitbetaald krijgt op basis van de daadwerkelijk gemaakte en verantwoorde subsidiabele kosten.

Welke documenten heb je nodig?

Het loket publiceert 1 document bij deze regeling: formats, verklaringen en de regelingtekst zelf. Je kunt ze hier rechtstreeks downloaden.

Vraag het dossier

Stel een vraag over DEI+: Energie- en klimaatinnovaties. Het antwoord komt uitsluitend uit de documenten van het loket zelf, met de vindplaats erbij. Staat het er niet in, dan zegt de chat dat.

Waar komt deze informatie vandaan?

Deze pagina is samengesteld uit de officiële publicaties van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Controleer de definitieve voorwaarden altijd bij het loket zelf.